Naar een kaartje
van dit gebied
Etappe: Utrecht/Spakenburg
Op elke regel is een uitzondering. Daarom vandaag naar Spakenburg. Bij het
vorderen van deze rubriek (we zijn nu over de helft) bleek dat van alle
provincies alleen Utrecht volgens de formule 'langs de rand van Nederland'
buiten beeld bleef. Utrecht heeft maar een smalle strook die grenst aan
water. Voor liefhebbers van weidevogels is hier een 178 hectare groot
terrein van Natuurmonumenten (Eemland nabij Eemnes), waar met name in het
voorjaar -ook fietsend- de tureluur, grutto en kieviet gesignaleerd kunnen
worden.
De reis gaat naar Spakenburg, dat voor de aanleg van de Flevopolders en de
afsluitdijk een bruisende vissersplaats met een vloot van zo'n tweehonderd
schepen was. Nu nog wordt er veel vis verhandeld, maar dat komt van
elders.
Vrijwel elke dag zwermen naar schatting tachtig vishandelaren over het
hele
land uit om hun waar aan de man te brengen.
Hoewel Spakenburg vaak in één adem genoemd wordt met andere
vissersplaatsen
als Volendam en Elburg, heeft het lang niet zoveel sfeer. Er is -
behoudens
de haven waar prominent enige oude vissersschuiten liggen - geen oude
kern.
Het moet het hebben van de klederdrachten. 'De laatste twee woensdagen in
juli en de eerste twee in augustus houden we hier de toeristische dagen.
Dan
kun je zelfs baby's in klederdracht zien. Maar dan ziet ook echt zwart van
de mensen. Op dat soort dagen vertrek ik naar elders', zegt suppoost A.
Heuveling (67) van het klederdrachtenmuseum eerlijk.
Het museum is dertig jaar geleden door leden van het Vrouwen-Zendingscomité
van de Gereformeerd Vrijgemaakte kerk opgericht. Het is ondergebracht in
één
van de gebouwen van deze zesduizend leden tellende kerkgemeenschap. De
opbrengst (drie gulden entree voor volwassenen) gaat naar het
zendingswerk.
'Vorig jaar hebben we de reis-, studie- en verblijfskosten van een
Roemeense
dominee in Kampen er van bekostigd', zegt Heuveling.
In het museumpje, dat uit drie zalen bestaat, staan ruim honderd poppen in
klederdracht.
'De rouwperiode nam vroeger een belangrijke plaats in het
leven in. Er was een ongeschreven wet binnen de gemeenschap dat je zeven
weken in rouw ging bij het overlijden van een neef of nicht en vier jaar
bij
directe bloedverwanten, zoals vader of moeder. Gevolg was dat als je
eenmaal
vijftig jaar was je daarna eigenlijk altijd in het zwart gekleed ging. Nu
zijn die regels niet meer zo strikt. Er is alleen nog sprake van rouw bij
het sterven van directe familie'.
Als jongetje ging suppoost Heuveling zelf ook in klederdracht over straat.
'Tot je vierde jaar moest je een kapje dragen. Voor jongens was er een
andere kap dan voor meisjes. Na de Tweede Wereldoorlog was het snel gedaan
met de traditionele dracht. Dat kwam onder andere doordat vrouwen gingen
doorleren. Voor die scholen moesten ze dan bijvoorbeeld naar Amersfoort en
daar wilden ze niet in klederdracht naar toe'.
'Er zijn nu nog zo'n vierhonderd mensen in Spakenburg die dagelijks in
klederdracht lopen. Honderdvijftig daarvan zul je nooit zien, want die
zitten eigenlijk altijd binnen in een bejaardentehuis. De jongste in
klederdracht is 51 jaar.'
De oorsprong van de kleding is - zo blijkt uit de toelichting - niet te
achterhalen. Duidelijk is wel dat het aan verandering onderhevig is
geweest.
Dat wat de vrouwen in 1880 droegen was totaal verschillend aan de jurken
van
1980.
Naast de koelwagens van de vishandelaren trekken ook tientallen koekwagens
het land in. Heuveling daar over: 'Het Stoepje en De Graaf zijn bekende
namen van alle markten in Nederland. 'Natte oma-cake' zijn
bijvoorbeeld
populaire artikelen. Ze doen net alsof ze elkaar beconcurreren, maar dat
valt wel mee hoor, want het is namelijk familie van elkaar...' De bakkerij
begon in 1905 met het maken van zwaar roggebrood voor de bemanning van de
vissersvloot. De Graaf's Bakkerijgroep is nu uitgegroeid tot één van de
grootste en modernste industriële bakkerijen in Nederland en behaalt een
jaarlijkse omzet van meer dan 100 miljoen gulden.
Links bij dit verhaal:
Bakkerij Stoepje
Oma
als sponsor IJsselmeervogels