Kuifje woont in Brussel
Bezoek aan de hoofdstad van de strip

(door Sander Lindenburg)
In de stripboeken heeft Kuifje nooit een duidelijke woonplaats, maar voor wie door Brussel loopt wordt snel
duidelijk dat de avontuurlijke reporter hier zijn geboorte heeft beleefd. En de stad eert hem als een held. Op verschillende plaatsen kun je tegen metershoge afbeeldingen van hem oplopen. Brussel is het mekka voor de stripliefhebbers. Niet alleen door een wandeling langs de meer dan dertig muurschilderingen van allerlei stripfiguren, maar ook door de vele (tweedehands) stripwinkels en het feit dat de stad maar liefst twee stripmusea kent.

Voor een lang weekend hadden wij geboekt in het Scandic hotel; een naam die terecht een Scandinavische achtergrond suggereert. De website is dan ook opgesteld in bijna hetzelfde taaltje als wij gewend zijn van Ikea. “Wij zorgen goed voor jouw kinderen”, iets in die trant schreven ze.

De overnachting van een kind onder de dertien jaar is gratis, maar ondanks de aanvullende mailwisseling over dit onderwerp bleek er echter geen extra (3e) bed in onze kamer klaar te staan en moesten we overgeboekt worden naar een andere/grotere kamer. Minpuntje dus. Wat ook tegen dit hotel spreekt is de sombere uitstraling. Het is van oorsprong waarschijnlijk een kantoorcomplex in het centrum (Rue d'Arenberg) geweest, gebouwd rond een binnenplaats, die nu van boven voorzien was door een glazen plafond.

Ondanks het zonnige weer, kwam er toch weinig licht naar binnen, zodat receptie en restaurant er bepaald niet vrolijk uitzagen.

Het raam van onze kamer keek ook uit op deze binnenplaats, maar kon niet open 's nachts, vanwege het lawaai van de liften. Als truc daarop bedachten we: raam open en luchtcirculatiesysteem (airco was het niet) aan, zodat die het geluid van buiten kon overstemmen. Overigens is er een ruime keus aan hotels in Brussel, maar de prijzen lopen sterk uiteen. Je betaalt zo 100 euro meer voor een nacht.

Stripwandeling

Bij het VVV-kantoor is een kaartje te halen waarop de rondwandeling langs de muurschilderingen aangegeven staat. En dat kaartje is echt onmisbaar, zeker voor mensen die voor het eerst in deze metropool zijn, want het is bij tijd en wijle een speurtocht om alles te vinden. Voor 12 euro kun je ook een boekje kopen, waarbij een uitgebreidere beschrijving staat, onder andere over de oorsprong van de afgebeelde strip. Dat biedt voordelen: Je weet elke kant je uit moet kijken, het boekje zegt meer dan een blauwe stip op een kaart. Zo kun je voorkomen dat je – zoals wij – langs een schildering loopt, terwijl hij er daags erna, toen we uit de tegenovergestelde richting kwamen, weldegelijk bleek te zijn. Bovendien is niet iedereen in zijn jeugd geabonneerd geweest op de weekbladen Kuifje, Robbedoes, Pep, Eppo of Sjors, zodat je bijvoorbeeld niet weet dat de ene schildering bij de vuurwerkhandel Rozebottel moet  (vierde plaatje hier onder) voorstellen.

Brussel kent twee stripmusea, die beide dit jaar ruimschoots aandacht besteden aan het 60-jarig bestaan van het blad Robbedoes, dat de bakermat was van vele Belgische strips. Het oudste is in de Zandstraat te vinden (lastig voor Nederlanders is dat alle straatnamen ook tweetalig zijn, dat bemoeilijkt het zoeken). Hier en daar heeft Europa's hoofdstad een paar rotte kiezen (huizenblokken die tegen de vlakte gaan) en dat geldt ook voor deze straat. Het blijkt dat het Belgisch Centrum voor het Beeldverhaal gevestigd is in een oude persstraat, net zoals de Wibautstraat in Amsterdam. Staand voor het pand is aan de linkerkant nog net in een poort te lezen dat hier ooit "Het Nieuws van den Dag" gevestigd was. Achter je rug is het pand van de socialistische krantenuitgeverij. Strips passen prima in dat rijtje, want met het beeldverhaal ging het vrijwel hetzelfde als met de bioscoopfilm tegenwoordig (eerst in de bios, dan in de videoverhuur, dan in de verkoop en vervolgens op tv). De strips verschenen als losse stroken in de dagelijkse kranten. Die werden dan weer in langere verhalen gebundeld in het weekblad en de populairsten verschenen vervolgens als stripalbum. Grappig in dit verband is dat de uitgever van Robbedoes jaarlijks onder de lezers een populariteitspoll hield van de strips in het blad: de uitkomst bepaalde welk verhaal in boekvorm zou verschijnen.

Jeugdherinneringen

Slenterend door de zalen van het stripmuseum beleef je de ene zalige jeugdherinnering na de andere, tenminste als je er mee opgegroeid bent: Op zaterdagavond met een schaaltje gesneden fruit en een stapeltje stripboeken naaar bed. Guust Flater, de Blauwbloezen, Nero, de Smurfen, Blake en Mortimer, Kuifje en Haddock, Lucky Luke, Suske en Wiske en vele anderen wonen in dit museum en vinden dan ook allemaal hun oorsprong in België.
Beneden in de imposante hal is een winkel met een uitgebreid assortiment te vinden: stripboeken in het Nederlands, Frans en Engels, posters, poppetjes, puzzels, spelletjes. Ook het andere stripmuseum, dat 3 km verderop te vinden is aan het begin van de Keizerinlaan (nabij het centraal station), heeft een winkel. Het assortiment en de te bekijken collectie komen in grote lijnen overeen, zodat waarschijnlijk alleen de echte liefhebber beide musea bezoekt. (Er is ook nog een nieuwer stripmuseum, gewijd aan het blad Kuifje) Overigens is in de Rue de la Colline nabij de Grote Markt een TinTin shop te vinden, met alleen maar Kuifje-artikelen (T-shirts, mokken, pennen, kalenders etc.) met afbeeldingen van tekenaar Hergé.

Wie in het centrum van Brussel iets anders wil dan jagen op stripfiguren zou de heuvel op kunnen klimmen waar de stad op is gebouwd. Bovenop staat het oude koninklijke paleis met een aangrenzend prachtig park. In het paleis zijn wisselende tentoonstellingen, maar mooier is wat er ónder ligt. In de folder is sprake van de “ondergrondse straat” (Coudenberg), die het de vorstin mogelijk maakte om ongezien van het paleis naar de beneden aan de heuvel gelegen kapel te gaan. Wat nu rest is verre van een complete straat, maar het is wel leuk om even te verdwijnen onder het drukke gewoel dat zich onder het plein boven je afspeelt. Wat je ziet zijn de restanten van het oorspronkelijke kasteel dat ooit tot 1731 op deze plek heeft gestaan. Het brandde volledig af, doordat de bewaking de bevolking tegenhield bij een poging om de gigantische brand te blussen. De geblakerde resten hebben er vervolgens jaren ongemoeid gelegen, totdat de vorst zich realiseerde dat herstel van de oude situatie niks meer zou worden en hij besloot de boel tegen de vlakte te laten gooien.

De catacomben zijn echter bewaard gebleven en daar kun je doorheen lopen. Overigens is een kaartje voor de ondergrondse straat te combineren met een bezoek aan het museum over de Belgische historie, dat er boven ligt.

Atomium

Wie voor het eerst naar Brussel gaat moet eigenlijk ook naar het Atomium, wat wij dus ook hebben gedaan. Het bezoek zou dit jaar extra aantrekkelijk moeten zijn, omdat het vijftig jaar geleden is dat het stalen gevaarte bij de wereldtentoonstelling van 1958 geopend werd. Dat viel echter tegen. Bij aankomst bleek direct al dat het Atomium minder statuur heeft dan bijvoorbeeld de Eiffeltoren of het Vrijheidsbeeld. Je kunt er met je auto tot vlak bij rijden en er in een strook langs de weg bij parkeren; een vreemde gewaarwording. Het Atomium heeft niet over belangstelling te klagen, want er stond (ondanks dat we om 10 u. bij de opening kwamen) direct al een lange rij mensen. Die werden allemaal eerst in wat in 1958 de “snelste lift per wereld” was naar boven geschoten naar de hoogste bol.

Eigenlijk is die ruimte het leukst, omdat je van daaruit een mooi uitzicht op de omgeving hebt. Zo kun je bijvoorbeeld zien hoe de omgeving in 1958 werd ingericht, met een soort Madurodam dat Europa in het klein verbeeldt. In totaal zijn maar vier bollen voor het publiek geopend. Waarom? Niemand van het personeel kan daar een afdoende antwoord op geven. “Om technische redenen” wordt gezegd, maar de werkelijkheid is dat ze waarschijnlijk niet meer te vertellen hebben. Want de expositie in de vier bollen gaan allemaal over hoe geweldig de Belgen de wereldtentoonstelling in 1958 georganiseerd hebben. Wel leuk die oubollige, historische posters, plaatjes en instructies (Wat kan de wereld in 50 jaar veranderen!), maar na vier zalen heb je dat ook echt wel gezien. Ondanks dat we – en dat is eigenlijk standaard tegenwoordig bij elk museum of attractie – voor de uitgang nog door een souvenierswinkeltje gevoerd wordt (veel te duur allemaal voor 'made in China'-spullen) zijn we binnen een uur klaar met het Atomium. Wat te doen met de rest van de dag?

In het hotel stond een folder van het museum van Waterloo en dat blijkt volgens de routeplanner maar 30 km verderop richting Frankrijk te liggen. Dat is zo'n locatie waar je allemaal wel van gehoord hebt ('Mamma, at Waterloo Napoleon did surrender. Oh yeah!' - Abba), maar waar je eigenlijk nooit komt. Onderweg naar Frankrijk kom je er niet echt lekker langs en bovendien wil je op de heenweg snel naar Frankrijk en terug snel naar huis.
Maar, kunnen we nu uit eigen ervaring zeggen, het loont de moeite. De plek waar de Engelsen, Pruisen en Fransen ooit vreselijk slag tegen elkaar leverden wordt gemarkeerd door een opgeworpen heuvel van 45 meter hoog, met daarop het beeld van een leeuw. Het geheel, slechts enkele jaren na de echte strijd gemaakt naar voorbeeld van wat verveelde Franse soldaten daarvoor bij Austerlitz gerealiseerd hadden. Inmiddels is er een flink toeristencircus rondom ontstaan. Busladingen Japanners worden afgeleverd en die krijgen net als wij eerst een geillustreerde maquettepresentatie van de slag en daarna in de volgende zaal een bioscoopfilm over de strijd die zich in 1815 op deze plek heeft afgespeeld.

Russen in Waterloo

Die film is zeer indrukwekkend, zeker voor onze 9-jarige dochter die na afloop van het zien van alle bloedige gevechten onthutst vraagt: “Maar waarom gingen al die mannen vechten? Als ze niet wilden hadden ze toch gewoon weg kunnen lopen?” En daarna moet je haar dan de moeilijke woorden uitleggen dat “deserteurs gefusilleerd werden”: Dus je kon kiezen uit misschien dood of zeker dood.
Na de film volgt de beklimming van de eerder genoemde heuvel, waarbij we met een groep uitgelaten Russen ons een weg de 226 treden op begeven. Het uitzicht is op deze heldere dag prachtig. Het is moeilijk voor te stellen dat hier ooit honderden mannen het leven lieten. Verder kan de bezoeker nog een “battlefield tour” maken in een oude legertruck (wat wij niet doen, wat dat geloven we wel), naar een wassenbeeldenmuseum (klein, maar wel aardig, omdat Napoleon mooi neergezet wordt) en een panoramaschildering (knap gemaakt, maar in tien minuten bekeken). Ook hier is weer de wereld aan souveniers te koop: van theekopjes tot heuse sabels. Grappig daarbij is dat alle aandacht daarbij uitgaat naar de verliezer van deze veldslag. Wie zou überhaupt zomaar uit zijn hoofd de namen weten van de twee veldheren die de Franse leider op de vlucht gedreven hebben?
We hebben er twee uur doorgebracht en zijn overladen met informatie, maar bij nadere beschouwing blijken dat vooral details te zijn geweest. De grote vragen: Wat deed Napoleon hier en waarom was hij hierna definitief verslagen? bleven onbeantwoord. Thuis brengt Wikipedia uitkomst.

Wikipedia: De Slag bij Waterloo was een veldslag bij het dorp Waterloo (toen onderdeel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden). Napoleon Bonaparte werd hier op 18 juni 1815 verslagen door een combinatie van Britse/Nederlandse, Hannoveraanse en Pruisische legers, onder leiding van respectievelijk de hertog van Wellington en von Blücher.
In 1814 was Bonaparte na zijn nederlaag bij Leipzig naar het eiland Elba verbannen. Daar volgde hij met interesse het gekrakeel dat in Wenen losbarstte over de landverdeling in Europa. Hij begreep dat voor hem nog niet alles verloren was. Op 26 februari 1815 ontsnapte hij van het eiland, en op 1 maart arriveerde hij met een legertje van 800 man in de Franse havenstad Cannes. Snel trok hij met zijn persoonlijke garde op naar het noorden, richting Parijs.

Maarschalk Michel Ney, aanvoerder van het Franse leger en voormalig maarschalk onder Napoleon, werd opgeroepen om de keizer tegen te houden, maar liep met zijn hele leger over naar zijn voormalige baas. Op 20 maart zetelde deze weer in zijn keizerlijk paleis. Haastig trommelden de geallieerden hun legers op en rukten op richting Frankrijk. Napoleon wilde echter zijn 'keizerrijk' heroveren, en dat zo snel mogelijk, voordat de andere staten in Europa klaar waren om Frankrijk binnen te vallen en hem weer gevangen te nemen.

Hij mobiliseerde in twee maanden tijd een leger van 200.000 manschappen en trok met 120.000 naar de Frans-Belgische grens. Op 14 juni stak hij die over. Met zijn opmars viel hij aan op het punt waarop het Pruisische en het Brits-Nederlandse leger onder de Hertog van Wellington aan elkaar grensden, traditioneel een zwak punt. Napoleon verloor de slag echter ('hij vond zijn Waterloo') en vluchtte. Hij trok zich terug naar Parijs, dat hij op 21 juni 1815 bereikte, maar hij werd niet meer als keizer erkend. Een paar weken wachtte hij werkeloos op het landgoed Malmaison bij Parijs. Een poging om naar Amerika te vluchten werd verijdeld omdat de Engelsen alle havens hadden afgegrendeld. Vervolgens vroeg hij politiek asiel aan in Engeland. Hij probeerde dat op diplomatieke wijze: Laat ik mij onderwerpen aan de edelmoedigste van mijn vijanden
Napoleon kreeg asiel van de Britten, maar anders dan hij had verwacht. Hij werd als gevangene aan boord van het marineschip Northumberland vervoerd en na een tocht van 70 dagen afgezet op het verlaten eiland Sint-Helena, in het zuidelijke deel van de Atlantische Oceaan. Nog zes jaar bracht Napoleon daar door voordat hij op 5 mei 1821 stierf. In 1840 werd zijn stoffelijk overschot naar Parijs overgebracht, en bijgezet in de Dôme des Invalides.

 

Deze reportage kwam tot stand met medewerking van het Belgisch Verkeersbureau voor Wallonië en Brussel: www.belgie-toerisme.be

Aantal keer bekeken sinds 7-6-2008
Hit Counter

 

Startpagina | Reageren?

Copyright text & photo's Solo Media - Zwolle - The Netherlands