Abdijttrap van Pairi Daiza uit 1776 weer als nieuw na ingrijpende renovatie
Pairi Daiza heeft deze zomer een indrukwekkende restauratie afgerond: de monumentale abdijttrap uit 1776 is zorgvuldig hersteld. Dit iconische bouwwerk, dat over het riviertje de Dender loopt, is nu sterker dan ooit, maar behield zijn authentieke glans.
De trap was nodig aan onderhoud. Een miljoen bezoekersvoeten hebben hun tol geëist en ook tijd, water en begroeiing hadden hun sporen nagelaten. Pairi Daiza besloot niet half werk te doen: gedurende bijna twee maanden werkten vier gespecialiseerde ambachtslieden uit de regio Henegouwen aan volledig herstel.
Originele stenen
De blauwe stenen treden, balustrades en delen van de constructie werden voorzichtig gedemonteerd, naar de werkplaats gebracht en ambachtelijk gerepareerd. Vervolgens terug op hun plaats gemonteerd. Geen materiaal hoefde vervangen – alle originele stenen zijn behouden gebleven. De voegen werden vernieuwd en kleine scheuren vulden de vakmensen met blauwsteenpoeder om het originele uiterlijk te behouden.
Deze monumentale trap getuigt van een van de meest welvarende periodes voor de voormalige abdij van Cambron, waarop Pairi Daiza is opgebouwd. Door zijn afmetingen, de drie trappenpartijen en de stenen balustrades toont het bouwwerk weelde die ver afstaat van de soberheid die traditioneel met de cisterciënzers wordt geassocieerd.
Reactie keizer
Deze weelde is overigens niet onopgemerkt gebleven. In 1783, slechts zeven jaar na de bouw van de trap, deelde keizer Jozef II, een hervormingsgezinde vorst, Cambron in bij de zogenaamde „nutteloze” kloosters en besloot hij tot de opheffing ervan, in het kader van een hervorming gericht op contemplatieve religieuze gemeenschappen die hij als nutteloos voor de samenleving beschouwde.
Volgens een overlevering zou de keizer, toen hij de trap ontdekte, deze hebben omschreven als „een van de mooiste van Europa”, maar tegelijkertijd hebben betwijfeld „of hij naar het paradijs leidt ”. Hoewel de authenticiteit van deze uitspraak niet vaststaat, illustreert deze anekdote het contrast tussen het cisterciënzerideaal van eenvoud en de pracht en praal die Cambron aan het einde van de 18e eeuw had bereikt.







